Box 3: is het einde van de forfaitaire vermogensrendementsheffing in zicht?

Auteur(s):

Op 11 oktober 2021 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant twee belanghebbenden in het gelijk gesteld in hun beroep tegen een belastingaanslag over hun betaal- en spaartegoeden. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat de vermogensrendementsheffing op de banksaldi een individuele en buitensporige last met zich mee bracht en daarom in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EP EVRM).

Download dit artikel hier als pdf.

Forfaitair rendement

Het inkomen uit ‘sparen en beleggen’, oftewel box 3, wordt sinds 2001 forfaitair belast; de omvang van het netto vermogen wordt vastgesteld op de peildatum, 1 januari. Hierover werd eerst 4% als forfaitair rendement in aanmerking genomen, maar ondertussen geldt: als het vastgestelde vermogen groter is, wordt het forfaitair rendement ook hoger.

Het oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad (“HR”) heeft al meerdere keren gesteld dat de vermogenstaks in box 3 op systeemniveau strijdig is met de bescherming van het recht op eigendom zoals dat geldt in de Europese Unie;

  • In 2019 oordeelde de HR dat het in box 3 sinds jaren veronderstelde forfaitaire rendement van 4% niet meer haalbaar was zonder daarbij (veel) risico te nemen. Belastingplichtigen werden daardoor mogelijk geconfronteerd met een buitensporige last die zich niet verdraagt met het door artikel 1 EP EVRM beschermde recht op ongestoord genot van eigendom.
  • In juli 2021 oordeelde de HR dat de box 3 heffing een individuele en buitensporige last vormt als deze meer bedraagt dan het daadwerkelijk behaalde rendement (in casu over 2017). Bij de beoordeling of de heffing inderdaad een individuele en buitensporige last oplevert, moet de heffing wel bezien worden in samenhang met het totale inkomen (box 1, box 2 en box 3).

Uitspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 11 oktober 2021 vervolgens belastingaanslagen in box 3 voor uitsluitend banksaldi verlaagd omdat die een buitensporige grote last vormde voor de belanghebbenden. Het echtpaar in kwestie had in de jaren 2017, 2018 en 2019 enkel rente-inkomsten uit deze tegoeden.

Over de jaren 2018 en 2019 ontvingen zij aanslagen die hoger waren dan de daadwerkelijk ontvangen rente. Voor die jaren was de box 3 heffing een individuele en buitensporige last – en daarmee, zoals hierboven al staat, in strijd met artikel 1 EP EVRM.

Voor het jaar 2017 lag de situatie anders: het bedrag van de aanslagen was in 2017 lager dan de ontvangen rente. Hier speelde echter de toepassing van de algemene heffingskorting een rol: de rechtbank nam de algemene heffingskorting als maatstaf voor (het bepalen van) een minimuminkomen (voor 2017 te kwantificeren op € 6.167, zijnde € 2.254 / 36,55%) dat in ieder geval niet aangewend dient te worden voor het betalen van belasting.

De wetgever heeft met een belasting naar inkomen namelijk geen heffing beoogd waardoor de belastingplichtige op het vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen. Dat het echtpaar een spaarpot had in de vorm van een stamrecht-bv in box 2, acht de rechtbank niet relevant, omdat het daaruit geen uitkering heeft gekregen in de betreffende jaren.

De rechtbank verminderde uiteindelijk de aanslagen IB/PVV tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van het bedrag aan daadwerkelijk ontvangen rente.

Waar ligt de grens?

De rechtbank vindt de vermogensrendementsheffing dus een ‘buitensporige en individuele last’ in een tweetal situaties:

  1. De box 3 belastingaanslag was hoger dan de daadwerkelijk ontvangen rente, en de belastingplichtige moet interen op zijn vermogen om de belasting te betalen.
  2. De box 3 belastingaanslag was weliswaar lager dan de daadwerkelijk ontvangen rente, maar het minimuminkomen ad € 6.167 (gegevens 2017; met inachtneming van de tegenwaarde aan minimuminkomen die de algemene heffingskorting vertegenwoordigt) is lager dan de box 3 aanslag en de belastingplichtige moet interen op zijn vermogen om de belasting te betalen.

De vraag is: betekent dit dat er enkel sprake kan zijn van een buitensporige en individuele last indien het (daadwerkelijke) box 3 vermogen alleen uit spaartegoeden en het werkelijk inkomen aldus uit ontvangen rente bestaat?

Nu zijn er verschillende situatie waarbij deze kwestie interessant is. Als je bijvoorbeeld denkt aan een belastingplichtige die een aantal panden bezit, die als gevolg van leegstand minder huur opleveren dan de box 3 heffing, hoe zit het dan? Dient de waardestijging van de panden meegenomen te worden? Moet deze belastingplichtige zijn vermogen (deels) te gelde maken om de belasting te betalen, of is dat gelijk te stellen aan het interen op het vermogen? En een belastingplichtige met belangen in box 3 waarop geen dividenden worden uitgekeerd, moet deze zijn aandelen te gelde te maken? Wat als er sprake is van een belang waarop een blokkeringsclausule rust waardoor de belastingplichtige de aandelen niet te kan verkopen?

Is hiermee het einde van het forfaitair belasten van vermogen – en dus van Box 3 zoals we die nu kennen – in zicht?

Rechters oordeelden dus meermaals dat de vermogensbelasting in strijd is met het Europees recht, in de meest schrijnende gevallen. Ze lieten het echter steevast aan de politiek om dit te repareren. Advocaat-Generaal (“A-G”) Niessen stelt in zijn conclusie dat rechters deze terughoudendheid moeten laten varen nadat de heffing in 2017 is aangepast. Sindsdien gaat de fiscus, volgens A-G Niessen onterecht, ervanuit dat belastingplichtigen een groter deel van hun vermogen beleggen naarmate ze vermogender zijn (de ‘vermogensmix’).

De A-G vindt dat deze regeling voorbij gaat aan de eigen keuze van de belastingplichtige voor de belegging van zijn vermogen. Degenen die afzien van beleggen betalen op dit moment meer belasting dan het rendement op hun spaargeld. Het confiscatoir karakter van de heffing komt daarmee in strijd met artikel 1 EP EVRM, aldus de A-G.

Tevens is de vermogensrendementsheffing in strijd met het Europees discriminatieverbod, stelt de A-G in navolging van zijn collega A-G Wattel: iemand die € 100.000 op een spaarrekening heeft staan en daar in de praktijk verwaarloosbare rente over ontvangt, betaalt net zo veel belasting als iemand die € 100.000 in aandelen heeft gestoken en daar een aanzienlijk rendement over heeft behaald.

De overheid kon zich vóór 2017 nog beroepen op de noodzaak van een uitvoerbare belastingheffing. Voor de veronderstelde vermogensmix geldt dat volgens de A-G niet, omdat de fiscus van banken de gegevens krijgt over de tegoeden van belastingplichtigen. Zo kan de werkelijke vermogensmix worden vastgesteld en rechters moeten volgens hem in alle gevallen op toezien dat de Belastingdienst daarvan uitgaat.

A-G Niessen adviseert de HR dan ook om de bezwaren tegen de vermogensbelasting massaal toe te wijzen. Wat ons betreft een ‘sign of the times’, en het zou zomaar een doorbraak kunnen betekenen in de voortdurende juridische strijd rondom de vermogensrendementsheffing. Het is afwachten wat de Hoge Raad verder voor ons in petto heeft!

Tags:
Share this article on:
Share on linkedin
Share on facebook
Share on twitter
Newsletter

Sign up for our monthly newsletter to stay up to date.