Boorplatformen zijn geen schepen! Althans: niet voor de Europese rechter, wel voor de Nederlandse staatssecretaris. Grup Servicii Petroliere SA.

Hof van Justitie: leveringen van en bevoorrading van boorplatformen vallen niet onder het btw- nultarief

De zaak

Grup Servicii Petroliere SA (hierna: GSP) heeft in 2008 drie opvijzelbare offshore boorplatformen verkocht aan Maltese klanten. De platformen lagen op het moment van de verkoop in de Zwarte Zee en zijn in het kader van de levering niet verplaatst. De vraag die voorligt bij het Hof van Justitie is of de vrijstelling van art. 148, onderdeel c, btw-richtlijn van toepassing is. In dit artikel is een vrijstelling opgenomen voor de levering en bevoorrading van schepen die bestemd zijn voor de vaart op volle zee.

Beslissing HvJ: een boorplatform is geen schip, want het is niet bedoeld om mee te varen

Het HvJ stelt vast dat de verkochte boorplatformen mobiele offshore boorinstallaties zijn. Een platform bestaat uit een drijvend ponton. Op dit ponton zijn pijlers gemonteerd die kunnen worden neergelaten op het moment dat het platform de boorplaats heeft bereikt, zodat het platform steunt op de zeebodem. Op dat moment vormt het boorplatform een statisch object.

Op basis van de uitgangspunten concludeert het HvJ dat de boorplatformen niet hoofdzakelijk gebruikt worden om te varen, zodat deze drijvende installaties niet kunnen worden aangemerkt als installaties voor de vaart op volle zee in de zin van art. 148 btw-richtlijn. De boorplatformen worden slechts in stilstaande positie geëxploiteerd.

Aldus is volgens het HvJ de vrijstelling van art. 148 btw-richtlijn voor levering en bevoorrading van schepen voor de vaart op volle zee niet van toepassing op drijvende installaties, zoals opvijzelbare offshore boorplatformen.

Nederland: 0% tarief voor de levering van schepen voor de vaart op volle zee

In Nederland werkt het bovenstaande net even anders. De btw-richtljin is namelijk een vrijstelling mét recht op aftrek opgenomen (art. 148 btw-richtlijn), dat betekent dat er geen btw verschuldigd is over de prestatie maar dat de voorbelasting wel in aftrek kan worden gebracht.

In Nederland heeft de wetgever het anders opgelost. Hier geldt voor de levering van schepen voor de vaart op volle zee geldt een 0%-tarief (art. 9 lid 2, onderdeel a Wet OB juncto tabel 2 post a4). De uitkomst is hetzelfde over de prestatie is geen btw verschuldigd, maar de voorbelasting mag wel in aftrek worden gebracht.

Belang voor de Nederlandse praktijk

De uitspraak van het HvJ is in strijd met het Nederlandse beleid van de Staatssecretaris van Financiën, zoals vastgelegd in het Besluit van 13 november 2018, nr. 2018-155014. Uit dit besluit volgt namelijk dat ook vaartuigen waarbij het varen van bijkomstige betekenis ten opzichte van hun hoofdfunctie kunnen kwalificeren als schepen die worden gebruikt op volle zee.

De Staatssecretaris bedoelt hiermee vaartuigen die vanwege hun hoofdfunctie alleen in de offshore-industrie worden ingezet, zoals bijvoorbeeld drijvende boorplatforms die al dan niet op de zeebodem kunnen worden geplaatst, baggerschepen, pontons en schepen waarmee in zee kabels of pijpleidingen worden gelegd.

De uitspraak van het HvJ heeft nog geen directe invloed op ondernemers in Nederland die drijvende installaties leveren of deze bevoorraden. Hiervoor zal de Staatssecretaris eerst zijn Besluit moeten aanpassen. Dat de Staatssecretaris het Besluit zal aanpassen ligt wel in de lijn der verwachting nu zijn standpunt de Europese toets niet kan doorstaan volgens het HvJ.

Dat betekent dat u als ondernemer in de branche niet direct grote aanpassingen hoeft te doen. Wel dient u nu reeds een inschatting te maken of u bij aanpassing van het Besluit buiten de boot gaat vallen waar het de toepassing van het nultarief betreft. De leveringen die u na aanpassing verricht zullen dan belast gaan worden tegen het tarief van 21%.

 

Voor meer informatie: Xander Wamelink!