Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020: Highlights en Matrix

De nieuwe notitie Fiscaal Verdragsbeleid. De focus: het tegengaan van belastingontwijking

Op 25 juni 2020 is de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020 (NFV 2020) gepubliceerd. Deze notitie geeft de Nederlandse verdragsonderhandelaars een soort boodschappenlijstje of instructie mee wanneer zij onderhandelen met de vertegenwoordigers van andere staten, en is de nieuwste editie van zijn 4 voorgangers. In de jaren 1987, 1996, 1998 en 2011 zijn tevens dergelijke notities verschenen. Deze notitie heeft dus geen zelfstandige rechtskracht, maar biedt wel een inzicht in ‘wat te verwachten’ van de volgende verdragen die ‘Nederland’ afsluit of vernieuwt. Wij belichten de highlights van de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020.

Door politieke en economische ontwikkelingen in het internationale belastingrecht is het van belang om het verdragsbeleid te blijven vernieuwen. Wij stellen dat de uitkomsten van de OESO/BEPS-projecten ditmaal de grootste aanleiding hebben gegeven voor een vernieuwde versie. De staatssecretaris is optimistisch over de internationale samenwerking tegen belastingontwijking. Het tegengaan van belastingontwijking is derhalve een veel terugkerend onderwerp in de NFV 2020. Waar het beleid sinds de tweede wereldoorlog was gericht op economische groei en het verbeteren van het vestigingsklimaat in Nederland, is deze tendens de laatste jaren helaas aan het afzwakken. Desalniettemin biedt de NFV 2020 de mogelijkheid om gestructureerd kennis te nemen van de huidige Nederlandse visie op het te voeren verdragsbeleid.

De focus op het tegengaan van belastingontwijking in belastingverdragen is relatief nieuw. De reden dat Nederland ooit is begonnen met het sluiten van belastingverdragen met andere landen is om grensoverschrijdende activiteiten aantrekkelijker te maken door dubbele belastingheffing te voorkomen. De rechtszekerheid die een belastingverdrag biedt, is daarvoor cruciaal..

Geen belastingverdragen met laagbelastende of niet-coöperatieve staten

Momenteel zijn er twee lijsten die van belang zijn voor het Nederlandse verdragsbeleid: de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden en de door Nederland gepubliceerde lijst van laagbelastende staten en niet-coöperatieve staten. Staten worden op deze lijsten geplaatst, indien zij niet voldoende optreden tegen schadelijke belastingconcurrentie. Nederland sluit met de landen op deze lijsten geen belastingverdragen. Ingeval zo een belastingverdrag al wel bestaat, is Nederland voornemens om nieuwe onderhandelingen te starten. De Nederlandse inzet hierbij is om het verdrag zodanig aan te passen dat de bronheffing op rente- en royaltybetalingen (die in vanaf 2021 in onze nationale wet ingevoerd moet worden dit doel indachtig) aan laagbelastende of niet-coöperatieve staten kan worden geëffectueerd in bepaalde situaties, of in misbruiksituaties.

Voor het kalenderjaar 2020 worden de volgende landen aangemerkt als laagbelastende staten: Anguilla, Bahama’s, Bahrein, Barbados, Bermuda, Britse Maagdeneilanden, Guernsey, Isle of Man, Jersey, Kaaimaneilanden, Koeweit, Qatar, Turkmenistan, Turks- en Caicoseilanden, Vanuatu en Verenigde Arabische Emiraten.

Volgens dezelfde regeling zijn in 2020 aangemerkt als niet-coöperatieve landen: Amerikaanse Maagdeneilanden, Amerikaans Samoa, Fiji, Guam, Oman, Samoa, Trinidad en Tobago en Vanuatu.

Principal Purpose Test (PPT)

Een van de uitkomsten van het OESO/BEPS-project is de PPT (actiepunt 6). Deze minimumstandaard, die volgt uit actiepunt 6 van het BEPS-project, geeft landen de mogelijkheid de verdragsvoordelen niet te verlenen indien aangetoond wordt dat belastingbesparing één van de belangrijkste redenen is om een constructie op te zetten. Nederland gaat verder dan alleen de PPT en kiest ook voor gerichte aanvullende maatregelen tegen verdragsmisbruik en belastingontwijking. Een belangrijke focus dus  wat betreft de Nederlandse inzet tijdens verdragsonderhandelingen. Belangrijk is om op te merken dat Nederland meeweegt wat andere landen hebben afgesproken in een belastingverdrag met het in onderhandeling tredende land, opdat het Nederlandse bedrijfsleven geen concurrentieachterstand heeft.

Multilateraal Instrument (MLI)

Op 1 juli 2019 zijn de MLI-bepalingen in werking getreden in Nederland. Het MLI maakt het voor Nederland mogelijk op snelle wijze zijn belastingverdragen aan te passen om belastingontwijking tegen te gaan, zonder dat nieuwe onderhandelingen nodig zijn. Want: uit het BEPS-project (international gecoördineerd project tegen belastongontwijking) zijn bepaalde middelen voorgesteld en die behoeven een aanpassing van het verdrag. Maar aangezien die pas van kracht worden als het verdrag wordt aangepast, en aangezien verdragsonderhandelingen vaak meerdere jaren duren, is het MLI voorgesteld als een soort ‘tinder-kaart’ waarbij de voorgestelde maatregelen aan het verdrag worden toegevoegd als de beide betrokken staten dezelfde ‘MLI-bepalingen’ hebben aangevinkt voor hun onderlinge verdrag. De MLI-bepalingen treden dus automatisch in werking als ook de andere verdragsstaat het MLI heeft ondertekend en dezelfde wensenlijst heeft ingevuld. De invloed van het MLI wordt gereflecteerd in minimumstandaarden. Deze minimumstandaarden luiden:

  • het vastleggen van een passage in belastingverdragen, waarin duidelijk wordt gemaakt dat een belastingverdrag niet is bedoeld om mogelijkheden te creëren voor dubbele niet-heffing of verlaagde heffing door belastingontduiking of belastingontwijking;
  • het verwerken van antimisbruikbepalingen in belastingverdragen;
  • het toelaten van een effectieve geschilbeslechtingbepaling via een onderlinge overlegprocedure.

De PPT is onderdeel van dit geheel en wordt ook wel een weapon of mass destruction genoemd. Het geeft de Belastingdienst de mogelijkheid om verdragsvoordelen te weigeren in misbruiksituaties. Om deze invloed te verkleinen voorziet het Nederlandse verdragsbeleid in twee aanvullende bepalingen:

  • een vangnetbepaling op grond waarvan de bronstaat verdragsvoordelen kan toepassen als de PPT in beginsel van toepassing is;
  • een bepaling die verplicht om voorafgaand aan toepassing van de PPT de andere staat te consulteren.

Aanvullende maatregelen 

Nederland zet zich extra in tegen misbruik van belastingverdragen. Naast de minimumstandaarden van het OESO/BEPS-project worden de volgende bepalingen onderdeel van het Nederlandse verdragsbeleid. Je vindt deze maatregelen samengevat in de matrix hieronder. Vind jij één van de onderstaande onderwerpen interessant? Klik dan hier of neem contact op!

Overzicht van de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020:

Maatregelen Streefpunten in het verdragsbeleid

Tegengaan van hybride mismatches

Paragraaf 3.3.1 NFV

Het tegengaan van hybride mismatches door te toetsen of het inkomen (genoten door een hybride entiteit) waarvoor een verdragsvoordeel wordt gevraagd daadwerkelijk in de andere staat in de heffing wordt betrokken.

Dubbele vestigingsplaats

Paragraaf 3.3.3 NFV

Het regelen van de verdragspositie van entiteiten met een dubbele vestigingsplaats.

Tegengaan van kunstmatige vaste inrichting

Paragraaf 3.3.4 NFV

Het tegengaan van het kunstmatig ontgaan van de kwalificatie van een vaste inrichting.

Minimumbezitsperiode tegen dividend transfer transactions

Paragraaf 3.3.5 NFV

Een minimumbezitsperiode (t.a.v. aandelen) van 365 dagen voor verdragsvoordelen inzake dividend.

Terugkijkperiode voor onroerendezaaklichamen

Paragraaf 3.3.6 NFV

De terugkijkperiode bewerkstelligt dat de assets van het onroerendezaaklichaam worden bezien over een periode van 365 dagen voorafgaand aan de vervreemding van de aandelen.

Verrekenings- in plaats van de vrijstellingsmethode

Paragraaf 3.3.7 NFV

Met deze maatregel wordt bewerkstelligd dat bij zb. kwalificatieverschillen met als gevolg een verschil in voorkomingstechniek, de verrekeningsmethode wordt

toegepast in plaats van de vrijstellingsmethode om zo een adequate belastingheffing te waarborgen.

Bescherming van het heffingsrecht van het bronland

Paragraaf 3.3.8 NFV

Voorkomen wordt dat het heffingsrecht van een bronland wordt beperkt voor inkomen dat wordt toegerekend aan vaste inrichtingen in derde rechtsgebieden waar dit inkomen laag wordt belast.

Correctie van verrekenprijzen

Paragraaf 3.3.9 NFV

Een unilaterale mogelijkheid om te voorkomen dat een verrekenprijsaanpassing in het ene land zorgt voor dubbele belastingheffing..

Verplichte en bindende arbitrage

Paragraaf 3.3.10 NFV

Indien binnen de gestelde termijn geen oplossing is gevonden voor een belastingheffing in strijd met het verdrag, wordt het mogelijk om de onderhavige kwestie voor arbitrage voor te leggen.

Belangrijkste afwijkingen van (en aanvullingen op) het OESO-modelverdrag

Nederland kent bijzonderheden in het eigen belastingstelsel. Daarom wijkt Nederland op verschillende punten af (of streeft ernaar af te wijken) van de bepalingen in het OESO- modelverdrag. Hieronder sommen wij de streefpunten op.

Maatregelen OESO-modelverdrag / standaard Streefpunten in het verdragsbeleid

Inwonerschap

Paragraaf 4.2 NFV

Art. 4 OESO-modelverdrag

Voor inwonerschap onder het belastingverdrag is onderworpenheid aan belasting eist. Alle van belasting vrijgestelde lichamen moeten als verdragsinwoner worden aangemerkt.

Beleggingsinstellingen

Paragraaf 4.3 NFV

Art. 10 OESO-modelverdrag

Als een VBI of FBI eenmaal als inwoner voor het belastingverdrag kwalificeert, kan deze doorgaans gebruik maken van het verlaagde verdragstarief op dividenden en renten. VBI’s en entiteiten die vallen onder vergelijkbare speciale regimes niet in aanmerking laten komen voor verdragsvoordelen. Voor dividenden uitgekeerd door of aan een FBI of soortelijke instelling in het andere verdragsland, een tarief van 15% toepassen.

Offshore-vaste inrichting

Paragraaf 4.4 NFV

Art. 5 OESO-modelverdrag

Bouw-, constructie-, en installatieprojecten vormen slechts een vaste inrichting als ze langer duren dan 12 maanden. Werkzaamheden buitengaats (offshore) worden niet separaat genoemd als vaste inrichting. Een definitie van het begrip vaste inrichting op grond waarvan Nederland eerder een heffingsrecht heeft over de winst behaald met werkzaamheden buitengaats.

Dividenden, renten en royalty’s

Paragraaf 4.5 NFV

Art. 11, 12. 13 OESO-modelverdrag

De bronstaat heeft een 5% heffingsrecht voor deelnemingsdividend, en 15% voor portfolio- en overig dividend. De bronstaat heeft een 10% heffingsrecht voor rente. Royalty’s zijn exclusief aan de woonstaat toegewezen. Voor deelnemingsdividenden streeft Nederland naar een uitsluitende woonstaatheffing. Met ingang van 1 januari 2021 treedt de Wet bronbelasting 2021 inwerking, die voorziet in een aanzienlijke bronbelasting op interest en royalty’s. Ook voor deze inkomensbestanddelen streeft Nederland in beginsel naar een uitsluitende woonstaatheffing.

Inkomen uit aanmerkelijk belang

Paragraaf 4.6 NFV

Artikel 10, 13 OESO-modelverdrag

Afgezien van onroerendezaaklichamen heeft de woonstaat (i.e. immigratiestaat) het exclusieve heffingsrecht over vermogenswinsten op de vervreemding van aandelen. De immigratiestaat heeft tevens een heffingsrecht (tot 15%) over aanmerkelijk belangdividenden. Een aanmerkelijkbelangvoorbehoud in het vermogenswinstartikel, opdat de emigratiestaat mag heffen over de (fictieve) vervreemdingswinst t.t.v. emigratie en opdat de immigratiestaat een step-up verleent. Tevens een voorbehoud in het dividendartikel, opdat de emigratiestaat kan heffen over dividend zolang de conserverende aanslag nog open staat.

Inkomen uit inkoop aandelen of liquidatie

Paragraaf 4.7 NFV

Art. 10 OESO-modelverdrag

Niet geregeld is of liquidatie opbrengsten en aandeleninkoop onder het dividend- of vermogenswinstartikel valt. Dat is aan de staten zelf om met elkaar overeen te komen. De Hoge Raad heeft in 2003 echter geoordeeld dat deze opbrengsten onder het vermogenswinstartikel vallen. Inkomsten genoten bij de inkoop van aandelen of bij liquidatie worden beheerst door het dividendartikel.

Aandelen of vergelijkbare belangen in onroerendezaaklichamen

Paragraaf 4.8 NFV

Art. 13 lid 4 OESO-modelverdrag

De woonstaat mag heffen over de vervreemding van aandelen, tenzij het aandelen in een kwalificerend onroerendezaaklichaam betreft. Vermogenswinst uit onroerend goed mag namelijk in de bronstaat worden belast. Een bronstaatheffing over de vermogenswinsten behaald met de verkoop van onroerendezaaklichamen in geval van verdragsmisbruik.

Sporters en Artiesten

Paragraaf 4.9 NFV

Art. 17 OESO-modelverdrag

De bronstaat mag heffen over inkomsten van sporters en artiesten. Een beperkte bronstaatheffing voor inkomsten van sporters en artiesten, aangezien de woonstaat mag heffen bij zb. incidentele optredens.

Pensioenen, lijfrenten en socialezekerheidsuitkeringen

Paragraaf 4.10 NFV

Art. 18 OESO-modelverdrag

De woonstaat heeft exclusief heffingsrecht over particuliere pensioenen en sociale zekerheidsuitkeringen. Een bronstaatheffing voor gefacilieerd opgebouwde pensioenen en voor socialezekerheidsuitkeringen.

Verrekening directeurs-en commissarissenbeloningen

Paragraaf 4.11 NFV

Art. 22 lid 3 OESO-modelverdrag

De woonstaat mag heffen over directeurs- en commissarissenbeloningen, waarbij verrekening wordt toegepast door de bronstaat. Onder voorwaarden echter stelt Nederland het inkomen eenzijdig vrij. Voor directeurs- en commissarissenbeloningen alleen nog een verrekening geven en geen vrijstelling.

Toeslagen

Paragraaf 4.12 NFV

Art. 26 OESO-modelverdrag

Onder de EU-verordeningen 883/2004 en 987/2009 is er geen rechtsbasis voor uitwisseling van informatie m.b.t. toeslagen, en deze is ook niet standaard in het OESO-modelverdrag opgenomen. De regelingen over de uitwisseling van informatie en bijstand bij de invordering van belastingen eveneens van toepassing laten zijn op de toeslagen.

Ficties

Paragraaf 4.13 NFV

Art. 3 lid 2 OESO-modelverdrag

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat nationaalrechtelijke fictiebepalingen enkel door kunnen werken naar belastingverdragen als de doorwerking met de verdragspartner expliciet is overeengekomen. Vastleggen dat bepaalde ficties of fictieachtige regelingen in de nationale wet doorwerken naar het belastingverdrag.

 

Pieter van Tilburg en Sabrina Feyz.