Europees Hof: Commissaris is niet btw-plichtig

Europees Hof: Commisaris is niet btw-plichtig

Commissaris niet btw-plichtig

Op 13 juni is het arrest van het Europese Hof van Justitie[1] over het btw-ondernemerschap van commissarissen verschenen. Het Hof beslist dat een commissaris van een stichting geen btw-ondernemer is, omdat hij de vereiste zelfstandigheid mist.

 

Commissaris btw-plichtig – hoe zat het ook al weer?

Voor 1 januari 2013 hanteerden wij in Nederland de regel dat een commissaris pas btw-plichtig werd voor zijn activiteiten als hij van het commissaris zijn, zijn onderneming maakte. De staatssecretaris had in een Besluit[2] vastgelegd dat btw-ondernemerschap pas aan de orde kwam als de commissaris meer dan vier commissariaten uitoefende.

Aan deze praktijk werd door de Europese Commissie een einde gemaakt in 2011 toen de Commissie Nederland verzocht de btw-regels aan te passen. Het werk als commissaris, al is het maar voor één raad, diende als een economische activiteit te worden beschouwd en de commissaris diende btw te voldoen over de door hem ontvangen vergoeding. Nederland kreeg twee maanden de tijd de regels aan te passen, deed Nederland dat niet, dan zou de Commissie de aanpassing afdwingen door Nederland te dagen voor het Hof van Justitie (een zogenaamde inbreukprocedure).

De staatssecretaris, gezwicht voor deze druk uit Brussel, heeft daarop beleid gepubliceerd, geldend per 1 januari 2013, dat er toe leidt dat de activiteiten als commissaris als economische activiteiten worden gezien indien deze in het verlengde liggen van de overige door de commissaris verrichte ondernemers- of beroepsactiviteiten. Sindsdien hebben commissarissen zich geregistreerd voor de btw, hetgeen tot veel administratieve lasten heeft geleid.

 

De zaak IO

Er zijn ook commissarissen die bezwaar hebben aangetekend tegen het feit dat zij als ondernemer voor de omzetbelasting zijn geregistreerd. Zo ook, de commissaris over wiens btw-lot het Hof van Justitie nu heef beslist in het IO-arrest.

De hoofdpersoon in deze zaak (IO) werkt als gemeenteambtenaar en is daarnaast lid van de Raad van Commissarissen (RvC) van stichting Y. Naast dit commissariaat heeft IO geen andere nevenfuncties. De vraag die voorligt is of IO als btw-ondernemer moet worden bestempeld voor zijn werkzaamheden als commissaris.

IO is van mening dat hij deze economische activiteit niet zelfstandig verricht, omdat hij ondergeschikt is aan de RvC, hij is dus niet omzetbelastingplichtig. De Belastingdienst wijst het bezwaar van IO af en ook de rechtbank geeft IO geen gelijk. De rechtbank stelt dat hoewel IO gebonden is aan een taakomschrijving zoals vastgelegd in de statuten van de stichting hij toch op eigen naam, voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid handelt.

Het Hof ’s-Hertogenbosch vraagt in hoger beroep de mening van het Europese Hof van Justitie. Er bestaat volgens het Hof te veel twijfel en vraagt daarom aan het Europese Hof van Justitie of een lid van de RvC van een stichting, die voor zijn arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden wel in een ondergeschikte positie verkeert ten opzichte van de RvC, maar die overigens niet in een ondergeschikte positie verkeert ten opzichte van de RvC of de stichting, deze activiteiten verricht als btw-ondernemer.

 

Oordeel Hof van Justitie: commissaris is niet zelfstandig, dus niet btw-plichtig

Het Hof van Justitie EU oordeelt dat het commissariaat van IO bij stichting Y geen zelfstandige economische activiteit vormt. Het is daarbij niet van belang dat IO, voor de uitoefening van zijn werkzaamheden als commissaris, op geen enkele wijze hiërarchisch ondergeschikt is ten aanzien van het bestuur of de RvC van de stichting.

Volgens het Hof van Justitie handelt IO niet in eigen naam, noch voor eigen rekening, noch onder zijn eigen verantwoordelijkheid. IO handelt voor rekening en onder de verantwoordelijkheid van de RvC.

Wat voor het Hof van Justitie ook van belang is, is het feit dat IO geen economisch bedrijfsrisico draagt, aangezien hij een vaste vergoeding ontvangt die niet afhankelijk is van zijn deelname aan vergaderingen of van zijn feitelijk gewerkte uren.

 

Belang arrest in de praktijk

Vreemd genoeg is het nu de Europese rechter die beslist dat het Nederlandse beleid ten aanzien de btw-plicht van commissarissen te ver gaat, beleid dat nota bene op verzoek van de Europese Commissie is ingevoerd.

Wat daar van zij, het is nu nog wel onduidelijk of de Belastingdienst haar beleid ook daadwerkelijk gaat aanpassen. En als er aanpassingen plaats vinden, voor welke groep van commissarissen die gaan gelden. Wellicht voor de groep commissarissen die in loondienst is en één nevenfunctie heeft als commissaris of lid van een Raad van Toezicht.

Wij zijn van mening dat het arrest geen invloed zal hebben op de btw-plicht van commissarissen die hoofde van andere activiteiten reeds als btw-ondernemer kwalificeren en de activiteiten als commissaris dus in het verlengde meeliften op het reeds bestaande btw-ondernemerschap.

Btw-ondernemerschap voor commissarissen laat zich vooral voelen bij entiteiten die geen of een beperkt recht op aftrek van btw hebben vanwege de uitgeoefende activiteiten. Immers de btw die de commissaris in rekening brengt, kan niet of slechts gedeeltelijk in aftrek worden gebracht. Dus het loont om de btw-positie van de commissaris te bepalen en eventueel bezwaar tegen de eigen btw-aangifte in te dienen onder verwijzing naar het IO-arrest.

 

Kleine ondernemersregeling

Vanaf 1 januari 2020 geldt nog een andere escape. Dan gaat namelijk de nieuwe kleine ondernemersregeling gelden. Deze heeft tot gevolg dat commissarissen met een omzet tot € 20.000 onder voorwaarden kunnen worden vrijgesteld van btw-verplichtingen.

 

Voor vragen: Xander Wamelink!

 

[1] HvJ EU 13 juni 2019, nr. C-420/18 (IO)

[2] Besluit 5 oktober 2006, nr. CPP 2006/2138 (ingetrokken)